Limburgse dialecten

 

Het Limburgse dialect hoort bij de West-Germaanse talen, meer specifiek de Nederfrankische dialectengroep met daarin als opvallendste eigenschap nogal wat (Hoog-)duitse kenmerken. Gesproken wordt daarom wel van Oostnederfrankisch. Geen Haspengouws, geen Kempens en geen Maaslands. Een simpele opdeling in typisch Haspengouws, Kempens of Maaslands bestaat eigenlijk niet. Taal laat zich niet in dergelijke vakjes dwingen. De overgangen zijn nu eens plots, dan weer geleidelijk. Taal stoort zich niet noodzakelijk aan staatkundige, provinciale of regionale grenzen. Dialectologen tekenen daarom van al die taalverschijnselen kaarten die het grillige verloop zichtbaar maken. Daarop proberen ze dan, aan de hand van gemeenschappelijke kenmerken voor bepaalde gebieden, dialectgrenzen af te bakenen. Op die manier heeft men het Limburgs ingedeeld in Oost- en West-Limburgs. Deze twee dialectgebieden werden verder opgedeeld in twaalf kleinere. Haspengouw ressorteert grotendeels onder West-Limburgs, net zoals de Kempen. Het Maaslands, het 'Maaskempens' van Bree en omgeving en meest oostelijke deel van Haspengouw rekent men tot het Oost-Limburgs. Maar ook deze indeling houdt geen rekening met de talloze overgangsdialecten. Lommel vormt zo een overgangsgebied tussen Limburgs en Brabants dialect; Vroenhoven, Veldwezelt en Gellik een overgang tussen Haspengouws en Maaslands. Kaulille, Grote-Brogel, Peer, Wijchmaal, en Hechtel vormen in de Kempen een geleidelijke overgang tussen het 'Dommellands' (Hamont-Achel, Neerpelt en Overpelt) en het 'Demerkempens' (Lummen, Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren, Zonhoven). Hieruit blijkt wat voor een lapjesdeken die Limburgse dialecten in feite vormen.

Reeds eerder kwamen de Hoogduitse elementen in het Limburgs ter sprake. Het betreft eigenlijk een sterke invloed uit het oosten, meer bepaald Rijnlandse taalelementen die men uiteraard vandaag ook in de Duitse standaardtaal herkent. Men hoort ze om te beginnen vooral in een aantal voornaamwoorden, die aan het Limburgs zijn speciale karakter geven. Deze voornaamwoorden, waarvan tussen haakjes telkens de Nederlandse en de Duitse vorm, zijn: 'iech' (ik/ich); 'miech'(mij/dich); 'diech'(jou,je/dich); 'siech' (zich/sisch). Het zijn vormen die men in geheel Limburg terugvindt, met uitzondering van Lommel, Tessenderlo en Kwaadmechelen. Bij andere voornaamwoorden is er vermenging tussen Nederlands en Duits, zoals in 'vee(r)', 'vieë' (wij/wir), 'gee(r), dzjee, dzjie' (gij, jij, jullie/ihr) en 'hee(r), hieië' (hij/er). Een geval apart is 'doe' (je,jij, du). Het wordt echter nog enkel in verwijtende uitdrukkingen gebruikt, zoals in 'doe stommerik, doe ezel, doe stommen uil'. Deze vorm is te vinden in het Maasland, de Maaskempen en het noordoostelijk deel van Haspengouw. Een ander Hoogduits verschijnsel in het Limburgs is de 'sj'-uitspraak van 'sch' aan het begin van een woord. Dit wordt, net zoals de 'doe'-vorm vooral in het oosten van Limburg gevonden, waar men 'sjoon' (schoon/shön) zegt, 'sjrijven' (schijven/schreiben) en 'sjuiven( schuiven). Hoogduits van oorsprong is verder ook nog 'oe' in plaats van 'ui' en 'ie' in plaats van 'ij'. Voorbeelden zijn: 'boeten' (buiten), 'hoes' (huis), 'roeten' (ruiten) en 'iezer' (ijs). Deze eigenaardigheid vindt men in de Noorderkempen (Dommellands en Maaskempens). Als er over de Maas naar Nederlands Limburg gekeken wordt, vallen ook daar weer sterke overeenkomsten op. De Maaslanders aan weerskanten vormen van nature duidelijk één streek. Belgisch en Nederlands Limburg verstaan mekaar goed, maar de Maaslanders nog des te meer. Hoogduits is tenslotte ook nog 'oo' in plaats van 'oe' en 'ee' in plaats 'ie'. Zo kan men in de dialecten uit Maaskempen en Maasland bijvoorbeeld 'roopen' en 'booren' horen zeggen in plaats van roepen en boeren, 'deer' en 'beer' in plaats van dier en bier. De Umlaut is een geval apart. Het is een typische klankverandering die in Limburg voorkomt. Hierdoor wordt een a bijvoorbeeld tot een è, aa tot ee, o tot (doffe) u, oo tot eu, oe(h) tot uu(h), om er maar enkele te noemen. Men vindt deze Umlaut bijvoorbeeld in verkleinwoorden: man wordt mènneke, mond wordt munneke. Ook in meervoudsvormen en afleidingen: kop wordt in het meervoud 'kup' (köp), en 'munnig' of 'minnig' is een afleiding van mond. Tenslotte vindt men nog de Umlaut in vervoeging van werkwoorden: vangen wordt '(hie) vingt'. Men kan hier spreken van een zo goed als algemeen Limburgs verschijnsel.

Een laatste typisch verschijnsel van het Limburgs is tweetonigheid. Zo maakt een Hasselaar een duidelijk onderscheid in de uitspraak tussen 'ze make' (sleeptoon) voor zij maken en 'ze make' (stoottoon) voor zijn mamaatje. Een woord krijgt hierdoor soms ook een andere betekenis. In sommige dialecten betekent het woord 'bal' in sleeptoon (voetbal) iets anders dan in de stoottoon (dansfeest). Afhankelijk van de toonaard verwijst het dialectwoord 'geit' naar het dier geit of naar de werkwoordsvorm gaat, terwijl 'veulen' zowel een jong paard als voelen kan betekenen. In en rond Borgloon en Kortessem rekt men de korte klinkers voor s, ch en f. Zo spreekt men daar van 'doochter' voor dochter, 'ich waas' voor ik was en van 'zuister' voor zuster. Toch komt de sleeptoon niet in alle Limburgse gemeenten voor, namelijk niet in Lommel, Tessenderlo en Ham. Men kent er ook geen tonaliteit. In andere West-Limburgse gemeenten zoals Gingelom, Sint-Truiden, Halen en Beringen hoort men nog wel sleeptonen, maar zal de betekenis van een woord niet veranderen als een sleep- of een stoottoon wordt gebruikt. Ten oosten van al deze plaatsen is de keuze van de toon wel belangrijk, maar zijn er nog opmerkelijke verschillen. In het westelijk deel van dit gebied spreekt men bijvoorbeeld van 'ene stieën' en 'twie stieëne' of tweemaal met stoottoon, maar met meervoudsuitgang. In de oostelijke dialecten hebben enkelvoud en meervoud dezelfde woordvorm. Men spreekt van 'eine stein' en van 'twee stein', waarbij het enkelvoud met sleeptoon en het meervoud met stoottoon wordt uitgesproken. Lommel, Tessenderlo en Kwaadmechelen zijn een geval apart. Hier wordt eigenlijk geen Limburgse, maar Brabantse dialecten gesproken. Die Brabantse invloed is er in het westen trouwens maar al te duidelijk. Daar dus geen 'ich' en 'mich' of 'du', maar ik, mij en gij. Het Brabants laat zich via de standaardtaal trouwens ook in de andere Limburgse dialecten zijn invloed gelden. Zo hebben 'eerpel' en 'hark' al her en der het veld moeten ruimen voor 'patat' en 'gritsel'.

Met 'Limburgs' wordt dus niet één taal bedoeld, maar een groep van dialecten. Het is een verzamelnaam voor honderden dialecten, waarvan er een 200-tal in Belgisch Limburg wordt gesproken.

Piet Severijns