Limburgse
sagen en legenden

 

Waar sprookjes behoren tot het rijk der verbeelding, mag men, zo wordt beweerd, sagen een dichterlijke bewerking noemen van iets wat echt gebeurd is. De precieze historische toedracht ervan kent men echter niet. Ook de legende berust op volksoverlevering, maar is meestal een verhaal over een heilige, een wondere gebeurtenis of een heilig voorwerp. Limburgse sagen zijn, zoals alle sagen, bevolkt met alvermannekes, vuurgeesten, spoken, heksen, weerwolven en bokkenrijders. Angst voert in al deze volksverhalen de boventoon: angst voor de nacht en wat er in rondsluipt, angst voor de duivel en angst voor de dood.

AMBIORIX
Tussen 57 en 51 voor Christus onderwierp de Romeinse veldheer Julius Caesar Gallië. Daarmee veroverde hij ook deze streken. Hij kreeg het met Ambiorix zwaar te verduren. In 54 v.C. liet Caesar, na een lange zomercampagne, een legioen achter in de winterkwartieren bij Atuatica in het land van de Eburonen. Ambiorix sloot vriendschap met de kampcommandant Sabinus en Cotta, wist ze op zeker moment het legerkamp uit te praten en nam ze gevangen. Vervolgens overviel en vernietigde hij het legioen. Na dit succes sloten omwonende volkeren als Nerviërs, Menapiërs en Atuatukers zich bij hen aan en sloegen ze het beleg voor een ander legerkamp. Caesar keerde ijlings terug en versloeg de Belgae. Ambiorix voerde nog een tijd een guerrilla tegen de Romeinse bezetter, waarop Caesar het land van de Eburonen tussen 53 en 51 v.C. verwoestte en de stam zo goed als uitroeide. Ambiorix verdween van het toneel. Het vrijgekomen gebied werd later ingenomen door de Germaanse Tungri, die hun naam de nieuwe opgestichte stad Atuatuca Tungrorum zouden geven.

STROPERS EN PLUNDERAARS
Reizen was in de 17de eeuw nog een hachelijke onderneming. In voor- en najaar veranderden de wegen in modderpoelen en erger nog was de onveiligheid. Benden baanstropers, ontslagen of muitende soldeniers en ontheemde paupers doolden, verjaagd door het oorlogsgeweld, langs ’s Heren wegen. Omstreeks 1630 werden vooral de Maaslandse wegen dagelijks onveilig gemaakt door gedeserteerde soldaten. Voerlui werden aangerand en beroofd. Maasschippers werden vanop de oever beschoten, verplicht aan te leggen en afgeperst. En vaak vielen hierbij doden. In 1633 toen Joseph Herman, schipper uit Sluysch in Heppeneert door een bende werd aangevallen, werd zijn stuurman gedood. Bij een klopjacht door de schutterijen slaagde men erin 36 baanstropers aan te houden. De meesten werden gestraft met de dood.

ROZENKRANSEN EN WANDLUIZEN
Zeldzaam zijn de getuigenissen van reizigers die Limburg bezochten. Eén van de uitzonderingen is Philip de Hurges uit Doornik, die in augustus 1615 per boot van Luik naar Maastricht voer. Een plaats in de roef kostte zes stuivers, op het open dek betaalde men er vier. Het was een bont gezelschap dat hij aan boord aantrof: priesters en kanunniken, handelaars en… heel wat dames van plezier. Om de tijd te doden werd er aan boord door sommigen gemusiceerd, gezongen en geminnekoosd. Anderen baden de rozenkrans. De Hurges beschrijft dat het water van de Maas zó laag stond dat het schip verscheidene malen vastvoer en door paarden weer moest worden vlotgetrokken. Op bepaalde plaatsen moesten de paarden de stroom overzwemmen om op de andere oever hun ‘trektocht’ verder te zetten. Al bij al duurde de reis ruim zes uur en de nacht daarop in het Maastrichtse hotelletje maakte de reiziger kennis met wandluizen.

DE TEIJHEKSEN
De onderaardse wereld waarin mijnwerkers leefden, had voor velen onder hen steeds iets geheimzinnigs. Voor sommigen bleef het hun hele loopbaan een beetje angstaanjagend. Wazig door het altijd aanwezige kolenstof, schemerig door de schaarse verlichting, werden pijlers, gangen en schachten het ideale decor voor allerlei verhalen, figuren. Kleine, soms onverklaarbare voorvallen gingen een eigen leven leiden. Met eigen geheimzinnige gestalten die dan ook regelmatig ‘gezien’ werden. Van ‘dwaallichten’ tot ‘heksen’ doken ze allemaal op. Wanneer in een pijler alles verkeerd liep wat er verkeerd kon gaan, dan werd wel eens gezegd: ‘De teijheks heeft er op gezeten’. Een ‘teij’ is een verbastering van het Franse woord ‘taille’ voor kolenpijler. In sommige mijnen zei men in het zelfde geval ook wel eens dat ‘Kasper was langs geweest’. Een uitdrukking die uit de Duitse mijnen kwam waar deze Kasper dezelfde geheimzinnige rol speelde als de ‘teijheks’. Jonge veertienjarige mijnwerkertjes liet men met deze figuren hun eerste ondergrondse werkdagen als het ware de vuurdoop ondergaan.

DE DUIVEL BLIES KAARS UIT
Harlindis en Relindis, twee adellijke Frankische dames, stichtten na hun opleiding in Valenciennes hun eigen Benedictijnenabdij op te Aldeneik. Hier werd de befaamde Codex Eyckensis geschreven, het evangelieboek van Aldeneik. Volgens de legende zag de duivel met lede ogen het werk van deze vrome dames aan. Hij ging zelfs zo ver door de kaarsen uit te blazen die gebruikt werden bij het schrijfwerk in het scriptorium of schrijfvertrek. Telkens bracht de Engel des Heren nieuw licht. De bewuste kaarsen, het evangelieboek en talrijke relieken worden thans nog bewaard in de schatkamer van de St.-Catharinakerk te Maaseik.

DE KERK VAN ZUTENDAAL
Volgens een oude legende werd de O.L.V.-kerk van Zutendaal op wonderbaarlijke wijze gebouwd op de plek waar zij nu nog staat. Eerst wilde men een houten kerk optrekken in de Mandel, op de plek waar ooit een houten kruis had gestaan. Maar hetgeen men overdag getimmerd of gemetst had, werd ’s nachts afgebroken. De mensen dachten dat God op miraculeuze wijze wilde zeggen dat dit niet de geschikte plek voor de kerk was. Op de plaats waar de kerk nu staat, brandde ’s nachts altijd een kaarsje of een lichtje in een doornenstruik. Dit deed de dorpelingen besluiten dat God verlangde dat de kerk op die plek gebouwd zou worden. En inderdaad, toen men daar aan de slag ging bleef alles overeind staan wat men overdag gebouwd had.

DUIVELSWERK
De mensen hadden een grote fantasie over het optreden van de duivel tegen zondaars. Zo was er bijvoorbeeld in de buurt van Hechtel een herberg die de duivel op bezoek kreeg. Een jong koppel had er een kamer gehuurd. Omdat ze niet gehuwd waren, leefden ze in een staat van doodzonde. ’s Morgens werden zij dood aangetroffen, liggend voor het bed. Iedereen wist dat de duivel daar de hand in had, want op de tapkast was een hand ingebrand. De herberg heeft daarna jarenlang leeggestaan. In een andere herberg in de buurt van Sint-Truiden zat een boerenknecht die zijn ziel aan de duivel verkocht had. In ruil had de duivel hem vijf cent gegeven, die nooit opgeraakt kon worden. Daardoor kon hij steeds weer een pintje bestellen en toch geraakte hij zijn geld niet kwijt. Op zekere dag kwam hij al om elf uur thuis. Zijn baas, de boer, begreep er niets van. “Waarom zijt gij nu al thuis?”, vroeg hij. “Kom maar eens kijken in de stal”, zei de knecht. Daar zag de boer de duivel in de gedaante van een grote zwarte hond, die gevaarlijk naar hem gromde. Nog net kon hij de staldeur dichtgooien. Een pater uit Sint-Truiden werd te hulp geroepen. Die durfde de stal niet binnengaan, maar wilde van buitenaf de duivel buitendrijven. Amper had hij een bezweringsformule uitgesproken en met wijwater een kruis gemaakt of daar kwam de duivel al naar buiten gestormd, dwars door de muur heen. Een groot geblakerd gat liet hij in de muur achter. De boer heeft het nooit meer dichtgekregen.

AUWELMENKES
Het bijgeloof was nog even groot als in de Middeleeuwen. Men was benauwd voor de ‘kwade hand’, zogeheten heksen, tovenaars en weerwolven. Men kende bijvoorbeeld de ‘auwelmenkes’, dwergen die ergens in een hol onder de grond huisden. Soms hielpen ze mensen, soms niet. In Rotem beweerde men een onderaardse gang ontdekt te hebben toen men een graafwerk verrichtte in een boomgaard. Die gang werd door de dwergen gebruikt om ’s nachts bij de mensen het werk gaan te doen. Het gereedschap dat zij gebruikten lag er nog in. Als de ‘auwelmenkes’ het op de mensen gemunt hadden, waren ze gevaarlijk: ze stalen gereedschap uit de schuren of waren verantwoordelijk voor plotse lichamelijke aandoeningen. In de eerste helft van de 20ste eeuw verdwenen zij uit het Belgisch Limburgse. Het volksgeloof wilde dat hun vertrek te wijten was aan het luiden van angelusklok.

DE LANGOREN VAN BREE
Die van Bree noemde men spottend ‘de Langoren’. Heel lang geleden was er een jongen die, in de mening dat het een haas was, een ezel schoot die met zijn oren boven het korenveld uitstak. In Eksel vertelde men die grap als volgt: Een man uit Bree ging uit jagen en kreeg opeens twee lange oren in de gaten. Dat zijn zeker hazenoren, dacht hij, en hij schoot het beestje. De jager sukkelde er mee naar huis, want het was verduiveld een zware haas.
“Een schoon beest”, zei zijn vrouw, “maar zou ’t ook wel een haas zijn?”
“Andere beesten hebben zo geen lange oren, vrouw!”
“Ezels toch wel, man!”
’t Beestje werd het vel afgetrokken en …
“Vrouw”, riep de man, “ge hebt nog gelijk ook, want ik kan de hoefijzers niet afkrijgen!”

ALVERMANNEKES (ook auwelmenkes)
Het over heel de wereld verspreide sprookje van Repelsteeltje duikt regelmatige in sagen op. Zo waren er in Wellen de alvermannekes, die in een hol van de Bolderberg zaten, eens de was kwam doen. Toen die gedaan was, eiste één van hen de dochter voor zich op als vrouw als de vader zijn naam niet kon raden. Het meisje had reeds een mooie, jonge vrijer en wist niet wat gedaan van droefheid. Ook de ouders niet, want stel je voor je dochter te moeten afstaan aan zo’n lelijke alverman met een lange baard. Tot iemand op het idee kwam te gaan zoeken waar het hol van die alverman was. Een aantal mannen trokken naar de Bolderberg en begon daar overal te zoeken en vooral te luisteren. De eerste dag vonden ze niets, maar de tweede dag, zo tegen de avond, hoorden ze iemand de hele tijd zingen en steeds maar opnieuw: “Ik heet Kwispelton – Kwispeltuit. Morgen trouw ik met mijn bruid!”. Nu wisten ze genoeg en ze gingen vlug terug naar Wellen om het meisje, dat de hele tijd had zitten wenen, gerust te stellen. De volgende dag was ook de alverman weer daar, zeker van zijn stuk. Hij lachte en zei dat ze drie keer mochten raden. Met opzet zegden de ouders twee keer zo maar een naam en de alverman dacht dat hij het pleit al gewonnen had. Maar toen ze zegden dat hij Kwispelton – Kwispeltuit heette, riep hij kwaad dat de duivel het hun gezegd had. Hij werd heel rood en verdween door het sleutelgat.


Martin Boonen
Piet Severijns
Koenraad Nijssen