Schansen

Toen vanaf omstreeks 1550 steeds meer vreemde legers door het graafschap Loon trokken, werd vooral de Kempen zwaar getroffen. Terwijl er in Haspengouw heel wat stenen winningen en versterkte burchten gebouwd werden om in te schuilen, was dat in het noorden nauwelijks mogelijk. Afgezien van de omwalde stadjes Bree, Peer en Hamont en enkele versterkte kerkjes konden de Kempenaars nergens terecht. Daarom liet de prins-bisschop hen toe schansen te bouwen. Die schansen lagen meestal in moeilijk toegankelijke gebieden. Rond een stuk grond, soms een hectare groot, werd een gracht gegraven. Met de opgedolven aarde werd een wal aangelegd die met houtgewas werd beplant of met palen en vlechtwerk versterkt. De toegang werd afgesloten met een ophaalbrug en een poort, soms ook met een 'voorschans'. Binnen lagen een reeks schansplaatsen waarop de schansgezellen huisjes bouwden. Wie er wilde schuilen moest en toegangsgeld en een jaarlijkse schansgeld betalen. Bovendien moest er onder toezicht van de schanskapitein of de rotmeester, het hoofd van een afdeling van tien à vijftien weerbare mannen, wacht gelopen worden of karweien uitgevoerd om de schansen te onderhouden. Nochtans boden de schansen enkel bescherming tegen kleinere benden. De aarden wallen konden onmogelijk een belegering door een grotere legereenheid doorstaan en daarom moest de schans of de gemeente vaak vrijgekocht worden.

Detail uit kaart van Zutendaal (getekend door C.Lowis). Rechts wordt de eigenlijke schans van Zutendaal afgebeeld, met kleine lemen schanshuisjes. Links de indrukwekkende pastorij met boomgaard, hof een dubbele verdedigingsgracht. De pastorij vormde ook een toevluchtsoord of tweede schans in tijden van nood.
Verz. Jean Maenen