500.000 vC - 57 vC
Samenvatting van de prehistorische Limburgse geschiedenis


Honderden generaties mensen hebben in de Prehistorie in Limburg gewoond. Het oudste spoor, een stenen voorwerp om te hakken, te snijden en te graven, is gevonden in Meldert. Het werd waarschijnlijk ongeveer 100.000 jaar geleden vervaardigd door Neanderthalers die hier toen rondzwierven. Met vuistbijlen zoals er in Kesselt en Meeuwen-Gruitrode werden aangetroffen, vilden ze dieren en vervaardigden ze speren. In Schulen werd een mammoetbot opgegraven, dat door een Neanderthaler als muziekinstrument werd gebruikt. Omstreeks 10.000 vC doken moderne mensen op in deze streek, toen een open toendralandschap. Ze maakten jacht op rendieren, waarvan ze het vlees, de huiden, de beenderen, de pezen en het gewei gebruikten. In Kanne werd een kampplaats van deze rendierjagers ontdekt. Deze streken werden ook bezocht omdat er veel vuursteen te vinden was. Van de vuursteenkernen sloegen de jagers langwerpige, scherpe stukken vast, waarmee ze stekers en messen vervaardigden. Hun sporen bleven onder meer achter in Heusden-Zolder, Lanaken, Lommel en Zonhoven.
Na 10.000 vC werd het klimaat gaandeweg milder, waardoor een dicht loofwoud ontstond. Kleine groepen jagers/verzamelaars sloegen hun tenten meestal op bij vennen en langs rivieren in de Kempen en de Maasvallei. Het onmisbare drinkwater was er altijd vlakbij zodat zich daar ook wild verzamelde zoals elanden, reeën, everzwijnen en hazen. Watervogels vormden een relatief makkelijke prooi voor de jagers die er met pijl en boog op uittrokken. Ze konden kleren en tentzeilen van heel behoorlijke kwaliteit maken. Voorwerpen van deze mensen werden gevonden in Hechtel-Eksel, Herk-de-Stad, Houthalen-Helchteren en Opglabbeek.
Vanaf 5.300 vC drongen landbouwers en veetelers uit Centraal-Europa in het huidige Limburg door, de zgn. Kelten. Zij vestigden zich in het vruchtbare Zuidoost-Limburg, waarnaar vondsten in Bilzen en Riemst getuigen. Zij rooiden er het loofhout, bouwden grote lemen huizen, legden akkers aan en verbouwden granen, peulvruchten en oliehoudende gewassen. Daarnaast hielden zij runderen, varkens, geiten en schapen. Zo ontstonden er dorpjes met tussen de drie tot zes hoeven - stallen, woon- en opslagruimten onder één dak - met ongeveer dertig tot zeventig inwoners.
Omstreeks 2.200 vC gebruikten de mensen hier de eerste bronzen voorwerpen. Een zeldzame vondst uit deze tijd is een bronzen dolkje dat waarschijnlijk als statussymbool in een graf in Meeuwen-Gruitrode werd gelegd. De begrafenisrituelen wijzigden omstreeks 1.100 vC ingrijpend: de overledenen ging men niet langer begraven, maar cremeren op een brandstapel. De resten werden in urnen verzameld en in de grafheuvels of in vlakgraven op grote urnenvelden bijgezet. Grote grafvelden werden gevonden te Rekem, Hamont-Achel, Neerpelt, Herk-de-Stad en Tessenderlo.
Omstreeks 700 vC begon de Limburger zijn bronzen voorwerpen en wapens te vervangen door ijzeren. Een kleine toplaag ging zich onderscheiden van de grote groep van boeren, herders en ambachtslui. Op het grafveld van Wijshagen werden uit die tijd naast veertig eenvoudige graven ook drie rijkere graven ontdekt. Er werden een bronzen geribde emmer, een ijzeren bit voor een paard en bronzen sierstukjes ontdekt. Voorts lagen er bronzen mengvaten die als urnen werden gebruikt. Al die producten waren geïmporteerd uit het Keltische Midden-Rijngebied of de Zuidelijke Alpen.

Terug