|
Honderden generaties
mensen hebben in de Prehistorie in Limburg gewoond. Het oudste spoor, een
stenen voorwerp om te hakken, te snijden en te graven, is gevonden in
Meldert. Het werd waarschijnlijk ongeveer 100.000 jaar geleden vervaardigd
door Neanderthalers die hier toen rondzwierven. Met vuistbijlen zoals er
in Kesselt en Meeuwen-Gruitrode werden aangetroffen, vilden ze dieren en
vervaardigden ze speren. In Schulen werd een mammoetbot opgegraven, dat
door een Neanderthaler als muziekinstrument werd gebruikt. Omstreeks
10.000 vC doken moderne mensen op in deze streek, toen een open
toendralandschap. Ze maakten jacht op rendieren, waarvan ze het vlees, de
huiden, de beenderen, de pezen en het gewei gebruikten. In Kanne werd een
kampplaats van deze rendierjagers ontdekt. Deze streken werden ook bezocht
omdat er veel vuursteen te vinden was. Van de vuursteenkernen sloegen de
jagers langwerpige, scherpe stukken vast, waarmee ze stekers en messen
vervaardigden. Hun sporen bleven onder meer achter in Heusden-Zolder,
Lanaken, Lommel en Zonhoven.
Na 10.000 vC werd het klimaat gaandeweg milder, waardoor een dicht
loofwoud ontstond. Kleine groepen jagers/verzamelaars sloegen hun tenten
meestal op bij vennen en langs rivieren in de Kempen en de Maasvallei. Het
onmisbare drinkwater was er altijd vlakbij zodat zich daar ook wild
verzamelde zoals elanden, reeën, everzwijnen en hazen. Watervogels
vormden een relatief makkelijke prooi voor de jagers die er met pijl en
boog op uittrokken. Ze konden kleren en tentzeilen van heel behoorlijke
kwaliteit maken. Voorwerpen van deze mensen werden gevonden in
Hechtel-Eksel, Herk-de-Stad, Houthalen-Helchteren en Opglabbeek.
Vanaf 5.300 vC drongen landbouwers en veetelers uit Centraal-Europa in het
huidige Limburg door, de zgn. Kelten. Zij vestigden zich in het vruchtbare
Zuidoost-Limburg, waarnaar vondsten in Bilzen en Riemst getuigen. Zij
rooiden er het loofhout, bouwden grote lemen huizen, legden akkers aan en
verbouwden granen, peulvruchten en oliehoudende gewassen. Daarnaast
hielden zij runderen, varkens, geiten en schapen. Zo ontstonden er dorpjes
met tussen de drie tot zes hoeven - stallen, woon- en opslagruimten onder
één dak - met ongeveer dertig tot zeventig inwoners.
Omstreeks 2.200 vC gebruikten de mensen hier de eerste bronzen voorwerpen.
Een zeldzame vondst uit deze tijd is een bronzen dolkje dat waarschijnlijk
als statussymbool in een graf in Meeuwen-Gruitrode werd gelegd. De
begrafenisrituelen wijzigden omstreeks 1.100 vC ingrijpend: de overledenen
ging men niet langer begraven, maar cremeren op een brandstapel. De resten
werden in urnen verzameld en in de grafheuvels of in vlakgraven op grote
urnenvelden bijgezet. Grote grafvelden werden gevonden te Rekem,
Hamont-Achel, Neerpelt, Herk-de-Stad en Tessenderlo.
Omstreeks 700 vC begon de Limburger zijn bronzen voorwerpen en wapens te
vervangen door ijzeren. Een kleine toplaag ging zich onderscheiden van de
grote groep van boeren, herders en ambachtslui. Op het grafveld van
Wijshagen werden uit die tijd naast veertig eenvoudige graven ook drie
rijkere graven ontdekt. Er werden een bronzen geribde emmer, een ijzeren
bit voor een paard en bronzen sierstukjes ontdekt. Voorts lagen er bronzen
mengvaten die als urnen werden gebruikt. Al die producten waren geïmporteerd
uit het Keltische Midden-Rijngebied of de Zuidelijke Alpen.
Terug
|

|