De Bronstijd valt praktisch volledig binnen het Subboreaal (3.800 - 850 v.C.), een klimaatsfase die in feite reeds tijdens het Neolithicum een aanvang nam. Tijdens het Subboreaal wordt het landschap gekarakteriseerd door hazelaar, els, eik, berk en beuk. Vanaf de bronstijd zorgt de mens echter voor een grote een impact op het landschap; eeuwenoude oerbossen worden afgebrand, gerooid en omgevormd tot weilanden (grassen) of landbouwgronden (graangewassen) die bewerkt worden met het eergetouw, een primitieve ploeg die de grond niet keert, maar enkel opentrekt. Op de velden wordt o.a. emmertarwe, gerst en lijnzaad verbouwd. Waar de mens deze gronden na ontginning verlaat, komt er een regenererend woud (berk en hazelaar), maar door beweiding (schaap, geit) krijgt het bos vaak geen kans meer en ontstaat heidelandschap. De heide zorgt ervoor dat de eens zo voedzame bodem degradeert tot een humusarme heidepodzol (de zgn. humus-ijzer-podzol).

Terug