![]() |
3.100 v.C - 2.200 v.C
|
![]() |
Nadat de Klokbekerlieden het brons - een legering van koper (90%) en tin (10%) met een relatief laag smeltpunt - hadden leren kennen was het tij niet meer te keren; de ertsen die men in Zuid-Engeland, Ierland, Centraal- en Zuid-Europa ontgon, werden hier te lande door rondtrekkende bronsgieters omgevormd tot bruikbare en vaak kwalitatief hoogstaande producten. Door de afwezigheid van ertsen in onze streken, werd het culturele zwaartepunt verlegd naar de gebieden waar deze ertsen ontgonnen werden. De bronzen voorwerpen zullen de levenswijze van onze voorouders langzaam maar zeker beïnvloeden. De chronologische indeling van de Bronstijd is gebaseerd op typologische ontwikkelingen van deze bronzen voorwerpen (bijlen, zwaarden, speerpunten,...) en op Koolstof-14 (C 14) dateringen. De overgang van Jong-Neolithicum naar Oud-Bronstijd is in de lage landen duidelijk niet met horten en stoten verlopen. Onze streken worden vanaf 2.200 v.C. bevolkt door lieden die potten bakken van minder goede kwaliteit dan dezen van hun voorgangers, versierd met motieven die ze aanbrengen met een draad omwikkeld plankje of vuursteentje, het "Wikkeldraadswerk". Deze mensen worden dan ook de Wikkeldraadlieden genoemd. Alhoewel men in België en Zuid-Nederland slechts weinig grafheuvels uit deze periode gevonden heeft - waarschijnlijk zijn de meesten geplunderd door sluikdelvers - schijnt er in het grafritueel toch een continuïteit met de Jong-Neolitische Bekerculturen te zijn (o.a. in de oriëntatie van de dode en in de heuvelstructuren). Nederzettingssporen van de Wikkeldraadlieden waren in Vlaanderen tot voor kort al even schaars. Slechts de laatste jaren kon men aantonen dat de bevolking in deze contreien toch intenser moet geweest zijn dan aanvankelijk gedacht werd. Zo vond met Wikkeldraadscherven in Lanaken, Rekem, Geistingen en Wijshagen-Rietem. Opgravingen in Nederland hebben aangetoond dat de Wikkeldraadlieden er een agrarische leefwijze op nahielden (rund, varken, schaap en geit). Ook het fokken van paarden kwam meer en meer in e.d. mode. Het vee werd gehoed op heideterreinen die in deze periode een felle uitbreiding namen. Het gebruik van pijlpunten wijst erop dat de jacht -waarschijnlijk op kleinwild - nog steeds belangrijk was als aanvullende voedselbron.
|
|
![]() |
|||