![]() |
700 v.C - 475-450 v.C
|
![]() |
De IJzertijd valt volledig binnen het Subatlanticum (850 v.C. - nu), een klimaatfase waarin het iets kouder is dan tijdens de voorgaande periode. Het bos wordt gekarakteriseerd door eik en els, terwijl de beuk een felle uitbreiding neemt. Voor het eerst verschijnt ook de haagbeuk. Het bos wordt steeds meer gerooid door de mens; hierdoor ontstaan er heel wat zandverstuivingen, terwijl de heide nog verder uitbreiding neemt. Via Centraal-Europa leert men rond 700 v.C. het ijzer kennen. Vooral in onze streken moet de opkomst ervan grote gevolgen gehad hebben. IJzer is namelijk eenvoudig te bewerken en kan bovendien in ons land (Zuid-België, moerasijzererts in de Kempen) gewonnen worden. De teelt van bedekte gerst in plaats van naakte gerst levert heel wat meer opbrengst dan voorheen: vanaf nu gebeurt de akkerbouw ook systematischer. Vanaf de Midden-IJzertijd zal men ook het gebruik van beschoeide waterputten leren kennen waardoor de mens niet meer afhankelijk is van open water om een woonplaats te kiezen. In Centraal-Europa wordt de Urnenveldenbevolking al vlug opgevolgd door de Hallstattlieden; het zijn krijgers die door zouthandel vanuit de Oostenrijkse Salzkammergut en door een gunstige ligging op de verbindingswegen met de mediterrane wereld (voornamelijk met Italië) een stevige machtspositie verworven hebben. Het zijn ook deze mensen die via het Oosten kennis maken met een nieuwe grondstof: het ijzer. Via de Rijnvallei zakken groepen van deze Hallstattlieden naar Noordwest-Europa af en vestigen zich temidden van de lokale bevolking. Aan de hand van de bewapening die we in hun graven terugvinden blijkt dat deze groepen ruiters - daarop wijst al het paardentuig uit hun graven - niet altijd met vreedzame bedoelingen kwamen. Voor het eerst maken we ook kennis met het fenomeen "adelsgraven": het zijn graven met uitzonderlijk rijke bijgiften, vaak afkomstig van Noord-Italië, Oostenrijk of Zuid-Duitsland. Zo kennen we o.a. de adelsgraven van Wychen, Oss en Meerlo (Nederland) die tijdens de Hallstattperiode aangelegd werden. In België kennen we dan nog het adelsgraf van Eigenbilzen en de 3 adelsgraven van Wijshagen-Rietem die eerder in de Keltische invloedsfeer thuishoren. Over de status van deze welstellende overledenen is reeds heel wat gediscussieerd. In Zuid-Duitsland, Noord-Frankrijk was het de gewoonte om boven de lijkbegraving - meestal samen met een strijdwagen en een aantal bronzen, ijzeren (soms gouden) voorwerpen - een hoge grafheuvel op te werpen terwijl de autochtone bevolking gewoonweg gecremeerd en in vlakgraven bijgezet werd. Er blijkt hier dus een opvallend verschil in grafceremonieel tussen rijke - indringers? - en arme - autochtone?- overlevenden geweest te zijn. In onze streken werd de rijke overlevende echter - net als de autochtone bevolking - steeds gecremeerd; tegenwoordig nemen de meeste archeologen dan ook wel aan dat deze adelgraven aangelegd werden ter ere van een lokaal stamhoofden, dat eventueel wel uitgebreide (handels- ?) contacten onderhield met meer zuidelijke gebieden. Van andere opgravingen weten we dat de mensen hier in de Oud-IJzertijd nog steeds in de traditie van Urnenvelden begraven werden. Ook uit de schaarse nederzettingen blijkt dat er geen breuk is met de Urnenveldencultuur. De inheemse bevolking deed aan landbouw en veeteelt, waarbij het kleinvee belangrijk werd; op heel wat nederzettingen vinden we vaak weefgewichtjes, een aanduiding voor wolweverij en de daarmee samenhangende schapenteelt. Op de fel uitgebreide heide konden deze schapen gemakkelijk hun voedsel vinden. het lijkt er dus op dat de Hallstattcultuur de levenswijze van de autochtone bevolking nauwelijks beïnvloed heeft. |
|
![]() |
|||