475/450 v.C - 57 v.C
Jong-IJzertijd


Bij het begin van de 5de eeuw v.C. werd de rust in Centraal-Europese Hallstattgemeenschap zwaar verstoord. Vele heuvelforten werden verwoest, vorsten verloren hun leidende positie. Uit de intense spanningen en de daaruit voortvloeiende crisis groeide een nieuwe cultuur, de La Tène-cultuur. Binnen deze Keltische leefgemeenschap ontstond een fundamentele eenheid, waardoor dit volk een eigen gelaat en identiteit vertoonde. Ook de Kelten gingen op veroveringstocht en al vlug bezetten ze aantal hoognederzettingen ("Herrnsitze") in Zuid-België en op de Kemmelberg (West-Vlaanderen). Over de Keltisch invloed in onze streken bestaat nog onduidelijkheid. Het materiële cultuurgoed in de Kempen is geïnspireerd door dat uit twee gebieden, waarin in die tijd een belangrijke invloed uitgaat, namelijk het Hunsrück-Eigelgebied in Duitsland en het Marne-gebied in Noordoost-Frankrijk. In de Kempen blijkt het aantal grafvelden in de Late IJzertijden te zijn afgenomen: er is dan ook niet zo veel over bekend. Het grafveld Wijshagen-Rietem werd in gebruik genomen tijdens de overgang Hallstatt - La Tène-periode. Dankzij het nederzettingsonderzoek in Zuid-Nederland - o.a Haps, Son en Breugel (Nederlands Brabant) - en België - o.a. Donk en Rekem - weten we wel wat meer over het boerenbedrijf in de Jong-IJzertijd. De rechthoekige boerderijen waren kleiner  dan tijdens de Bronstijd en hadden twee ingangen in het midden van de lange zijden. Aan de ene zijde woonde de boerenfamilie en daar lag ook de haardplaats. Aan de andere zijde stond het vee. Rond de boerderijen lagen graanspiekertjes, een nieuwigheid tijdens de Jong-IJzertijdperiode (betere bewaringmogelijkheden maakten een grote productie mogelijk) en kuilen die als graansilo's gebruikt werden: de verkoolde graankorrels die erin gevonden werden verschaffen ons informatie over de gewassen die toen werden verbouwd: hoofdzakelijk emmertarwe en (bedekte) gerst, in mindere mate eenkoorn en haver. De uitbreiding van de heide veroorzaakte een merkelijke uitloging en verarming van de zandgronden; voor de IJzertijdmens was het dan ook van levensbelang een systeem uit te dokteren waardoor de grond verbeterd of ten minste in evenwicht gehouden kon worden. Al snel verschijnen er van Engeland tot Denemarken dan ook netvormige akkercomplexen - de "Celtic Fields" - die via de luchtfotografie tot vandaag de dag nog opgespoord konden worden. In België werden ze in Kaulille (Bocholt), Grote Brogel en Meeuwen-Gruitrode gevonden. Celtic Fields zijn op mekaar aansluitende akkertjes van 40x40 meter, van mekaar gescheiden door heggen doe op lage walletjes stonden. Het landbouwbedrijf in deze periode was duidelijk veel beter georganiseerd dan voorheen: het gebruik van windsingels (heggen) ter voorkoming van zandverstuiving, meer meerslagstelsel, humus voor bemesting, spiekertjes met grotere en langdurige opslagcapaciteit van graan, beschoeide waterputten, nieuwe gewassen met grotere opbrengsten,... Het waren allemaal aanpassingen die zorgde voor een betere "bestaanszekerheid" van de IJzertijdmens. Uit opbrengstberekeningen voor dergelijk akkerland kunnen we afleiden dat een huishouden van 6 personen moest kunnen beschikken over ± 100 veldjes om aan voldoende voedsel te komen. Jaarlijks werden er op ± 25 veldjes gewassen verbouwd, de overigen lagen braak en werden benut voor het beweiden van vee.

Aan het einde van de IJzertijd wordt de toestand onduidelijk; officieel begint met de veroveringstochten van Caius Julius Caesar (57 v.C) ook voor onze streken de Romeinse periode. In werkelijkheid zien we dat de IJzertijdbewoning gewoon verder gaat, zij het dan met af en toe wat invoer van Romeins vaatwerk en bronzen kleinood. In deze periode komt de productie van "bootvormige" maalstenen uit basaltlava uit de streek van Mayen (nabij Koblenz) waarschijnlijk tot een hoogtepunt. Bij de opgraving van een nederzetting uit deze periode in het Gruitroderbos is zo een steen gevonden. In de Romeinse tijd zou men er begraven hebben. In Plokrooi (Wijshagen, Peer) werden als bijgiften van een crematiegraf twee mantelspelden, verwant met de "Nauheimfibulae" meegegeven. Één speld kon nog gerestaureerd worden. Dit grafje dateerde uit de late La-Tène -, mogelijk zelfs uit de vroegste Romeinse periode (1e eeuw v.C).

Uit geschriften van (o.a. Julius Caesar) vernemen we dat onze streken in die tijd bewoond werden door Eburonen. Naar verluidt zouden deze Eburonen in een verleden, samen met andere stammen, vanuit Germanië de Rijn overgestoken hebben, waarna zich bij ons kwamen vestigen. Het einde van de IJzertijd is dus een erg fascinerende periode en betekent voor onze streken het einde van de prehistorie; het gebied wordt dan in het Romeinse Rijk ingelijfd en geraakt langzaam geromaniseerd.

 

Terug