30.000 v.C - 10.000 v.C
Jong-Paleolithicum


Uit deze periode kennen de meeste mensen wel de beroemde rotstekeningen van Lasceaux in Frankrijk. Het is klimaat is nog steeds erg koud en onze streken worden vaak geteisterd door enorme zandstormen waarvan de zanden tegenwoordig het Kempisch Plateau bedekken. De mens die in deze periode vooral in gemeenschap met grote kuddes rendieren leeft (mammoet en wolharige neushoorn zijn reeds uitgestorven), waagt zich niet gemakkleijk in onze streken. Terwijl men in Wallonië uit de beginperiode van het Jong-Paleolithicum enkele sporen teruggevonden heeft,  lijkt Vlaanderen onbewoond te zijn geweest. Enkel tegen het einde van de laatste ijstijd en het eerste deel van het Tardiglaciaal worden onze streken opnieuw sporadisch bezocht.

De laatste jaren heeft men enkele grote kampementen onderzocht te Sweikhuizen-Geleen (Nederlands Limburg), Kanne en Orp-Le-Grand (Waals-Brabant). Hier vond men zelfs het grondplan van een ronde jagerstent terug. De mens wachtte er de kuddes rendieren op bij een doorwaadbare plaats in een rivier. Uit pollenanalyses op verscheidene plaatsen weten we dat bomen slechts voor 5 à 10% in het landschap aanwezig waren (den, berk en els). Voor het overige waren er vele grassen, zegge en ook artemisia (alsem, bijvoet). Deze planten zijn alle typisch voor een koud milieu. Naast rendier maakte de mens soms jacht op bison, paard, haas, poolhaas, poolvos,...

Terug