![]() |
10.000 v.C - 8.000 v.C
|
![]() |
In de "late-IJstijd", die in feite de overgang vormt tussen de koude IJstijd (tot 12.000 v.C.) en de definitieve klimaatsverbetering van het Holoceen (8.000 v.C.), wordt gekenmerkt door een aantal korte, koude periodes, en enkele warmere periodes waar sporadisch wat den, berk en wilg groeit. In deze periode leven de zogenaamde "Epipaleolitische" ("na de oude steentijd") jagers. Tijdens het tweede deel van deze Tardiglaciale periode trekken weer regelmatig jagers door onze gebieden. Zij volgen nog steeds de rendierkuddes, maar ze zijn ook al voor een groot deel afhankelijk van kleinwild, zoals sneeuwhoen, kraanvogel, haas, enz. Het klimaat wordt stilaan warmer en de bebossing neemt toe. Sporen van deze Epipaleolitische jagers trog men onder andere te Achel, Zolder, Rekem en Helchteren aan. Te Rekem hebben meer dan tien jagerstenten gestaan. Naast grote Jong-Paleolitische werktuigen gebruikt men ook kleinere wapenspitsen (pijlpunten) e.d. die reeds de techniek van het Mesolithicum (Midden-Steentijd, 8000 - 4000 v.C) aankondigen. |
|
![]() |
|||