![]() |
8.000 v.C - 6.000 v.C
|
![]() |
Na de ijstijden en een relatief korte overgangsperiode waarin warme en koude periodes elkaar afwisselen - het Tardiglaciaal -, wordt het klimaat vanaf 8.000 v.C. heel wat gunstiger (het Holoceen). De bebossing neemt een verregaande uitbreiding. De rendierkuddes, die in de grasvlakten van de arctische streken hun voedsel vinden, worden hierdoor genoodzaakt verder naar het noorden te trekken. In de plaats ervan komen andere diersoorten die zich aan het woudleven hebben aangepast. De mens, die voorheen de rendierkuddes moest volgen om in leven te blijven, kan zich nu op de jacht op standwild toeleggen. Hij blijft echter een nomadisch bestaan leiden om het voedselaanbod niet volledig uit te putten. Dat de bosfauna hoofdzakelijk uit kleinwild bestaat, komt tot uiting in het wapenarsenaal van de Mesolitische mens, dat veel microlieten bevat. Tijdens het Preboreaal (8.000 - 7.000 v.C) treedt er een geleidelijke klimaatsverbetering op. Het aardoppervlak geraakt bebost: eerst met berk, daarna met den. het zijn allebei lichtminnende boomsoorten, waaruit we kunnen afleiden dat het landschap in die tijd nog redelijk open was. In deze periode krijgt de mens al een erg gevarieerd menu: oeros, edelhert, bruine beer, otter, bever, das, haas, waterwild (eend- en reigerachtigen), vis (snoek en zalm), knolgewassen, bladgroenten, kruiden enz. Te Zonhoven-Kapelberg werden sporen van een vijftal hutten uit deze periode teruggevonden. De prehistorische mens had er naast de jacht ook huiselijke activiteiten - dieren slachten en huiden bewerken - verricht. Hij verbleef blijkbaar graag op een open plek aan een beek of een rivier. Dit was ook te Opglabbeek-Dorperheide (bij de Bosbeek) en Neerharen-De Kip (bij de Maas) het geval. Aan de werktuigen werd vastgesteld dat deze laatste twee vindplaatsen al in een verder stadium zitten, terwijl de bebossing ook al meer gevarieerd was (o.a. els). In het Boreaal (7.000 - 6.000 v.C) breidt de bebossing zich verder uit. Met name de hazelaar wordt zeer belangrijk. In Sonnisheide (Helchteren) sloegen jagers en verzamelaars in deze periode hun tent op en vervaardigden heel wat wapenspitsen nabij een haard. |
|
![]() |
|||