Foto: Schacht van de vuursteenmijn in het Nederlandse Sint-Geertruid.

De ondergrond van Voeren bestaat uit een krijtgesteente dat in horizontale lagen door de zee tijdens het Mesozoïcum (ongeveer 248-65 miljoen jaar geleden) is afgezet. Het bovenste niveau van deze kalklaag bevat kwalitatief goede vuursteenknollen voor het maken van werktuigen. Reeds in het Neolithicum ontgon de mens vuursteen op verschillende plaatsen in Voeren. De eerste mijnsite werd in 1893 op het plaatsje Rullen-Haut ontdekt. In hetzelfde gebied zijn nog sites gevonden zoals Rullen-Bas, Rodebos, Dennenbos en het « Bois Communal ». Alle sites zijn gelegen tegen de helling van een heuvel. Op die plaats komt veel bodemverwering voor waardoor de vuursteenknollen aan het oppervlak tevoorschijn komen. Omdat de vuursteen zo dicht bij het oppervlak lag, was het niet nodig om, zoals te Spiennes en Sint-Geertruid, diepe mijnschachten en galerijen (tot 20 m diep) te graven. In Voeren heeft men in eenvoudige, ondiepe kuilen (tot 3 m diep) knollen uitgegraven. De producten die men op deze mijnsite vindt, zijn meestal afvalmateriaal van het productieproces: mislukte halffabrikaten (klingen en ongepolijste bijlen), kernen en afslagen. Men vermoedt dat de halffabrikaten door ruilhandel vanuit de mijnbouwsites werden uitgevoerd naar de nederzettingen. Op de mijnsites zelf zijn enkel overblijfselen van tijdelijke kampen gevonden.

Terug