![]() |
4.200 v.C - 3.100 v.C
|
![]() |
In het Duitse Rijnland ontstaat de Michelsbergcultuur uit de Rössencultuur. Vanaf 4.200 v.C. bezetten Michelsberglieden een aantal steile plateaus in Wallonië; de toegangen worden versterkt met paalwerk, grachten en wallen. Deze mensen zijn op zoek naar goede vuursteen en die vinden ze in overvloed in ons land, want op verschillende plaatsen in Wallonië (Spiennes, Obourg) maar ook in Belgisch Limburg (Voerstreek) en Nederlands Limburg (Sint-Geertuid) liggen rijke vuursteenlagen onder het oppervlak. Al vlug komt er een echte vuursteenindustrie op gang door het uithouwen van schachten en onderaardse gangen. De Michelsberglieden kunnen dus terecht als de eerste "mijnwerkers" van ons land aangezien worden. Van de grote vuursteenknollen die ze opdelven worden grote "klingen" (messen) gedebiteerd en verhandeld. In een later stadium introduceren ze ook de vuurstenen geslepen bijl. Omtrent hun levenswijze in is feite nog niet zo veel geweten. Uit pollendiagrammen blijkt dat ze bij hun aankomst het woud hebben gerooid om akkers en weilanden aan te leggen. Ze hielden zich bezig met het fokken van rundvee; varkens, schapen en geiten waren van minder belang. Toch waren het ook landbouwers; ze verbouwden tarwe, spelt en naakte gerst. De vele maalstenen en ook sommige vuurstenen lemmers die vaak een sikkelglans vertonen - door micro-wear analysis (gebruikssporen analyse) bewezen - bevestigen deze zienswijze. Langzamerhand nemen de Mesolitische jagersgemeenschappen van de Kempen ook de levenswijze van de landbouwers en veetelers over. Dat men soms hardnekkig aan de oude jachtgewoontes bleef vasthouden, heeft men op de West-Nederlandse strandwallen en donken, maar ook in de Belgische scheldevallei, duidelijk kunnen vaststellen. Hier trok de Neolithische mens, die al grotendeels door middel van landbouw en veeteelt in zijn levensonderhoud voorzag., regelmatig naar de drassige streken om er te jagen op grofwild (hert, ree, ever, ...), kleinwild (bever, otter, vos, das, ...), waterwild (zwaan, eens, gans, reiger, roerdomp,...) en om er te vissen (snoek, katvis, baars,voorn, meerval, verscheidene karperachtigen, ...) Ook werden er dan in de omgeving wilde vruchten (appel, pruim, kers, ...) ingezameld. De bewerkte vuurstenen tonen duidelijk aan, dat men in deze periode vaak nog teruggrijpt naar een Mesolitische debitagestijl. Toch kunnen we op dit ogenblik stellen, dat rond 3.900 v.C. de Kempense zandgronden "geneolithiseerd" zijn. Een van de vroegste en meest interessante landbouwnederzettingen werd in 1983 ontdekt op de Donderslagheide van Meeuwen-Gruitrode. Het is een uitgestrekte site (meer dan 10 ha.) dat heel wat vondsten opleverde; zo vond men een praktisch volledige voorraadvaas en meerdere fragmenten van potten die gelijkenissen met Zuid-Belgische en Nederlandse stukken vertonen. Het vuursteen is voor een groot deel afkomstig van de vuursteenmijnen (o.a. Sint-Geertuid); men vond o.m. pijlpunten, een lange schrabber, meerdere grote lemmers (soms met sikkelglans) en een maalsteen. Na de Michelsbergcultuur wordt het cultuurpatroon in de Nederlanden erg onduidelijk. Feit is dar er verschillende groepen naast elkaar leven en dat ze elkaar soms snel opvolgen. |
|
![]() |
|||