![]() |
509 v.C - 264 v.C
|
|
De Romeinen hadden zo’n grote afkeer voor het koningschap gekregen dat ze, na de bevrijding in 509 v.C., er naar streefden hun regime te stabiliseren door de creatie van instellingen waarbij alleenheerschappij onmogelijk werd gemaakt. Er moest bijgevolg worden gezocht naar een nieuwe politieke formule die dat gevaar zou ontwijken. Polybius, een Grieks historicus, stelt vast dat er drie elementen aanwezig waren in de Romeinse grondwet, de drie toen gekende bestuursvormen: de monarchie, de oligarchie en de democratie. “Als men de macht van de consuls beschouwde, leek het regime volmaakt monarchaal en koninklijk; vanuit het standpunt van de senaat was het eerder een aristocratie; en als men ten slotte de macht van het volk beoordeelde, was het een uitgesproken democratie”. De politieke instellingen van Rome waren op dat ogenblik een ‘ideale’ samensmelting van bestaande bestuursvormen, maar in de loop der jaren ondergingen ze nogal wat aanpassingen eer ze zo ‘evenwichtig’ werden. Na de uitroeping van de republiek waren de omstandigheden in Rome allesbehalve gemakkelijk. Van bij de aanvang was er sprake van een broze vrede, want de steden in Latium aanvaardden de hen opgedrongen situatie niet en de Etrusken wilden alleen maar terugkeren. Tegenover deze bedreigingen reageerde Rome heftig als één man. Nu de stad vrij is, willen de Romeinen hun vrijheid niet meer verliezen. Er kwamen oorlogen van lange adem, ze duurden tweehonderd jaar, kenden hun ups en downs en stelden het Romeinse uithoudingsvermogen zwaar op de proef. De Romeinen moesten voortdurend vechten, zowel in het noorden als in het zuiden. Wat lag er aan de basis van zoveel oorlogen, van zoveel haat? Ongetwijfeld een onnoemelijke angst! Want in die tijd verscheen een nieuwe vijand aan de horizon, met name de Galliërs die onder druk van de Etrusken, om Etrurië heen trokken, maar onverbiddelijk oprukten naar het zuiden. De Romeinen keken vol ongerustheid uit naar hun komst; tevergeefs boden ze in 390 v.C. weerstand: het Romeinse leger werd uit de weg geruimd en Rome viel in handen van de Galliërs. De uitgeputte verdedigers hielden het Capitool belegerd van waaruit ze onderhandelden over de terugtrekking van de Galliërs, tegen betaling van een fors losgeld. Tot de komst van de Galliërs hadden de Romeinsen altijd een verdedigende houding aangenomen, maar nu begonnen ze met een aanvalsoorlog: ze vielen de Latijnen aan, waagden zich op Etruskisch grondgebied en versterkten hun positie door de oprichting van ‘bondssteden’. Stilaan breidde de macht van Rome veldslag na veldslag uit. Rome werd na de verovering van de laatste Etruskische stad in 265 v.C. heer en meester over het Italiaans schiereiland. |