![]() |
219 v.C - 202 v.C
|
|
Ondertussen maakte Rome van de Carthaagse zwakheid gebruik om Sardinië te veroveren, de Galliërs te verdrijven uit de Povlakte en de Illyrische kust te onderwerpen, waardoor de Adriatische zee bevrijd was van piraten. Maar Hamilcar Barcas bleef evenmin werkeloos evenmin werkeloos toekijken. Omdat hij zijn nederlaag niet accepteerde en zich kost wat kost wou wreken op Rome, besloot hij op eigen houtje te handelen. Hij verliet Carthago waar zijn politieke vijanden hem in bedwang hielden en vertrok naar Spanje. Op rustige, methodische wijze veroverde hij het landsdeel tot aan de Ebro; dat was een slimme zet want door de schatkist te spijzen kon hij de Carthaagse achterdocht sussen. Na zijn dood werd zijn politiek verdergezet door zijn schoonzoon Hasdrubal die onderhandelde met Rome en niet meer dacht aan veroveringen. Na diens dood in 221 v.C. kwam Hannibal, Hamilcars zoon, aan de macht. Toen veranderde alles. Op het moment dat Hannibal aan de macht kwam was hij 25 jaar oud en grootgebracht in haat tegen Rome. Om Rome klein te krijgen had hij middelen genoeg ter beschikking: hij kon rekenen op een krijgsvaardig, gehard leger, hij bezat de Spaanse rijkdommen en kon er oprecht op rekenen dat overal waar hij voorbijtrok, de pas onderworpen volkeren in opstand zouden komen tegen Rome. Ten slotte bezat hij talent, durf, elan en was hij een begaafd tacticus. De Romeinen waren enigszins bezorgd over de komende oorlog want ze hadden nog niet afgerekend met de Galliërs en de Illyriërs waren amper onderworpen. Men kon nooit weten of ze van de situatie gebruik zouden maken om in opstand te komen. Daarop rekende Hannibal. De inneming van Saguntum, een met Rome geallieerde Spaanse stad, in 219 v.C. stak het lont in het kruit. Hannibal wees een ultimatum van de Romeinen af en kreeg daarna volmachten van de Carthaagse regering; aan het hoofd van een leger van 90.000 manschappen, 9.000 ruiters en 38 olifanten vertrok hij uit Spanje. Enkele troepen werden gedetacheerd om de achterste linie te verdedigen. Hij rukte op naar het noorden en trok de Alpen over. Deze vermaarde tocht werkte op de verbeeldingskracht van zijn tijdgenoten die maar niet begrepen hoe de Carthagers er in geslaagd waren om een volledig leger over de Alpen te krijgen. Dat geweldig exploot bleef evenwel niet zonder gevolgen. Toen Hannibal in het najaar van 218 v.C. in de Povlakte aankwam was zijn leger door alle ontberingen fel geslonken. Volgens historici uit die tjid beschikte hij op dat ogenblik nog slechts over 20.000 voetknechten en 6.000 ruiters. Hannibal kon na Romeinse tegenstand echter ongemoeid doorrukken richting Rome. Weldra bereikte hij Etrurië en trok hij verder naar Arezzo en Cortona in hoop consul Flaminus, een roekeloos en onvoorzichtig man, in een hinderlaag te lokken vóór zijn collega-consul tussenbeide zou komen. De Romeinen werden bestormd en letterlijk afgeslacht, hun consul sneuvelde eveneens. Toen het nieuws Rome bereikte heerste er algemene consternatie, de Romeinen meenden dat elk ogenblik Hannibal kon opduiken in de stad. Maar Hannibal kwam niet… Intussen had Rome zijn zelfbeheersing teruggevonden en besloot de senaat een dictator te benoemen, met name Quintus Fabius Maximus Cunctator. Hij was een eminent lide van een der beroemdste Romeinse families. Hij was er van overtuigd dat de Romeinen er niet in zouden slagen de Carthagers te verslaan in open veld, daarom begon hij hen op de hielen te zitten, hun bevoorrading te bemoeilijken, de foerageurs te verassen, kortom de tegenstander uit te putten en die zou in het vijandelijk gebied alles behalve gemakkelijk hebben om terug op krachten te komen. Rome, en dan vooral het volk, was hem niet dankbaar, vandaar zijn bijnaam Cunctator - de Talmer. Fabius maakte zich daar geen zorgen over, zelfs toen op zekere dag Hannibal, die omsingeld was door zijn troepen, er door een list in slaagde te verdwijnen, samen met zijn leger. Het Romeinse volk had genoeg van deze tactiek. Twee nieuwe consuls kregen de opdracht de Carthagers uit te schakelen: Varro en Paulus. Op 2 augustus 216 v.C. in Cannae, verlokte Hannibal Varro tot een gevecht. De Romeinen beschikten op dat ogenblik over 80.000 voetknechten en 6.000 ruiters, terwijl de Carthagers 50.000 infanteristen en 10.000 ruiters telden. De Romeinse cavalerie werd snel uiteengejaagd door de Carthaagse ruiterij die meer ervaring had. Vrij snel verpletterde de machtige Romeinse infanterie de Carthagers, die zich langzaam terugtrokken naar binnen. De plotselinge terugkeer van de cavalerie, had tot gevolg dat de Romeinse strijdkrachten omsingeld werden; er werd een zwaar bloedbad aangericht onder de Romeinen, waarbij ook de consul Lucius Paulus het leven verloor. Varro slaagde erin te vluchten. Het was de grootste ramp die Rome ooit had meegemaakt. Na een dergelijke nederlaag mocht Rome zich aan alles verwachten, zeker aan de komst van de Carthagers. Voor de tweede maal aarzelde Hannibal en schoof hij een beslissing op de lange baan, want net als alle andere Carthaagse krijgsheren was hij hebzuchtig en dacht hij alleen aan de buit. Daardoor verloor hij kostbare tijd, die de Romeinen dan weer ten volle benutten. Men maakte dan ook volgende opmerking ‘Vincere scis, Hannibal, sed victoria uti nescis’, ‘Gij verstaat de kunst te overwinnen, Hannibal, niet die om van de overwinning gebruik te maken’. Ondanks de afvalligheid van verschillende bondgenoten in het zuiden en het noorden raapte Rome al haar moed bijeen, probeerde het de situatie opnieuw meester te worden en haalde het de tactiek van Fabius opnieuw boven. Hannibal en zijn soldaten hadden zich in Campanië gevestigd en ze hadden het er best naast hun zin – het was een tijd van wellustig leven. Ondertussen trokken de Romeinen hun stoute schoenen aan. Daar Carthago weinig geneigd was om Hannibal ter hulp te snellen, kwam hij in een geïsoleerde positie terecht en ten slotte richtte hij zich tot Phillipus V van Macedonië die hem bijstand beloofde. Inmiddels hadden de Romeinen hun stellingen in Zuid-Italië en op Sicilië verstevigd; in 211 v.C. slaagde consul Marcelus na een lang beleg er in de stad Syracuse op Sicilië in te nemen. In Spanje werden de vijandelijkheden vlot afgehandeld door aanvoerder Scipio. De Carthaagse bezittingen werden er veroverd en het aanzien van Rome werd nieuw leven ingeblazen. De beslissende slag speelde zich af in Zama in 202 v.C. Zowel voor Hannibal als voor Scipio was het alles of niets, zowel voor Carthago als voor Rome was de inzet de toekomst. Er volgde een vreselijk treffen, een verbeten strijd. Een hele dag lang vochten Romeinse en Carthaagse infanteristen zij aan zij; op het einde van de dag bevond de Romeinse bevelhebber zich in een kritieke situatie, toen aan de horizon eindelijk de ruiters van Masinissa opdoken, die de Carthaagse cavalerie overwonnen hadden en nu Hannibals voetvolk in de rug aanvielen. Dat was het einde voor Hannibal die een tweede uitgave van Cannae beleefde, doch ditmaal in het voordeel van de Romeinen. Carthago kreeg harde vredesvoorwaarden opgelegd: het moest afzien van elke oorlog tegen Rome, zijn leger en vloot uitleveren, een zware oorlogsschatting betalen en honderd gijzelaars overdragen aan de Romeinen. Bovendien werd zijn grondgebied beperkt tot Afrika. |
|