27 v.C - 14 n.C
Romeinse Rijk
(Het keizerrijk onder Augustus)


Gaius Octavianus werd geboren in Rome op 23 september v.C. Hij was afkomstig uit een plebejisch geslacht en was Caesars kleinneef. Reeds zeer vroeg hield Caesar zich bezig met de opvoeding en in 45 v.C. adopteerde hij hem bij testament. Na de wettelijke bekrachtiging heette hij officieel Gaius Julius Caesar Octavianus. Men roemde hem om zijn fysieke schoonheid maar hij had een zwakke gezondheid. Ondanks alle mogelijke voorzorgen had hij zijn hele leven lang allerlei kwaaltjes. Deze chronische zieke werd niettemin 76 jaar oud. Octavianus was niet zo intelligent als Caesar, maar hij bezat een uitzonderlijke zin voor de werkelijkheid, de politiek en de diplomatie. Bovendien onderscheidde hij zich door een grenzeloze eerzucht, een uiterste bedachtzaamheid en een ijzeren wilskracht. Octavianus wist waar zijn grenzen lagen en hij had beslist voor de staatsraison. Hij was nooit een soldaat maar hij was een standvastig en realistisch politicus die geduldig het juiste moment kon afwachten.

Octavianus was dus 33 jaar oud toen hij keizer werd; door zijn jarenlange strijd tegen Antonius had hij zich politiek gevormd. Er was geen sprake van om opnieuw te vervallen in de vroegere dwalingen, de oligarchie was verleden tijd, nu kwam het er op aan dat enorme keizerrijk te besturen en te leiden. Enkel een man die kon rekenen op de juiste medewerkers en die zich volledig wou inzetten voor de gemene zaak kon een dergelijke taak op zich nemen. Als een volleerd acteur zou Octavianus bij elke gelegenheid systematisch de voorstellen van de senaat en volk weigeren, om ze uiteindelijk te aanvaarden, maar op zijn voorwaarden. De rechtsvormen werden gerespecteerd. In 27 v.C. legde hij zijn volmachten, gekregen om Antonius te bestrijden, neer maar de senaat smeekte hem op dezelfde manier verder te werken; hij stemde daarin toe op voorwaarde dat hij de macht kon delen met de senaat. Aldus werd hij “princeps senatus”, de leider van de senaat, de “eerste, voornaamste” burger, de leider van de staat. Bovendien kende de senaat hem het dan ook nog het predicaat “Augustus” toe, een eretitel (“verhevene”) met gewijde klank. Het is onder die benaming dat wij hem nu nog het beste kennen. De regeringsvorm die toen ontstond, wordt door de geschiedenisschrijvers het “principaat” genoemd. De republikeinse instellingen, die allemaal gebaseerd waren op collegialiteit en annuïteit (= periodiek mandaat van één of meerdere jaren) verloren hun inhoud.

In werkelijkheid berustte Augustus’ macht op volgende essentiële elementen: ten eerste de “tribunicia potestas”. Stapsgewijs verwierf hij alle voordelen van het tribunaat - het vetorecht, het recht om de senaat bijeen te roepen, om wetten voor te stellen, onschendbaarheid - niet voor één jaar maar voor het leven en niet beperkt tot Rome maar voor heel het keizerrijk. Ten tweede het "imperium proconsulare", d.w.z. de burgerlijke, militaire en rechterlijke bevelsmacht eigen aan consuls, niet voor één jaar maar voor tien jaar en meer. Hij werd dus tegelijk de opperbevelhebber, de bestuurder en de opperrechter van het keizerrijk. Ten derde de godsdienstige macht. In 12 v.C. werd hij pontifex maximus, leider van de Romeinse godsdienst en hoeder van de nationale tradities. Op volkomen legale wijze bekleedde Augustus dus alle staatsfuncties. Naast de traditionele instellingen creëerde Augustus eveneens eigen lichamen, die mettertijd zouden uitgroeien tot echte regeringsorganen. Op die manier kon Augustus op volkomen legale manier en naar eigen goeddunken het keizerrijk besturen. Anderzijds was er onder zijn bewind sprake van "Pax Romana", "Romeinse vrede". Naar zijn mening kon er alleen maar vrede heersen in een behoorlijk begrensd rijk dat ten dienste moest staan van een schitterende economische en culturele ontwikkeling. In de eerste plaats legde Augustus de grenzen van zijn keizerrijk vast: in het noorden de Rijn en de Donau, in het westen de Atlantische Oceaan, in het zuiden de Afrikaanse woestijn, in het oosten de Arabische woestijn. In de grensgewesten, de keizerlijke provincies, vestigden zich de Romeinse legioenen onder toezicht van de keizer. Deze legioenen waren nu een permanent vrijwilligersleger, beroepssoldaten aan wie men talrijke voordelen toekende.

De gewapende vrede aan de grenzen begunstigde de binnenlandse vrede: de onderworpen volkeren wisten hoe nutteloos een opstand was en dat ze er beter aan deden met de Romeinen samen te werken. Augustus kon daardoor orde scheppen in de financiën en het bestuur van zijn rijk. En omdat de economie niet langer bedreigd werd door de legioenen, kon ze zich ontwikkelen; de handel, de industrie en de landbouw namen een bijzonder hoge vlucht rond de Middellandse Zee, "mare nostrum", of "onze zee" geheten. Oost en West reikten elkaar de hand. Vooraanstaande artiesten, dichters, historici en bouwmeesters stelden hun talent ten dienste van de nieuwe keizer en droegen zijn verwezenlijkingen uit tot ver over de grenzen. Toen Augustus aan de macht kwam, bezat Rome nog maar weinig bouwkundige monumenten: hij ontwierp het keizerlijke Rome. Bij zijn dood was de stad niet meer van baksteen maar van marmer. De transformaties die hij doorvoede, waren dan ook groots van omvang: de fora van Caesar en Augustus werden aangelegd; aquaducten brachten het water van de bergrivieren over de vlakte van Latium naar de hoofdstad; openbare fonteinen sierder de volkswijken; tempels, theaters, thermen werden zowat overal opgericht. Rome was trouwens niet de enige stad in het keizerrijk die verfraaid werd, vele andere steden volgden haar voorbeeld.

In de loop der jaren werd Augustus evenwel geconfronteerd met een acuut probleem: dat van zijn opvolging. Zijn duurzaam werk moest worden verdergezet, maar hoe kon hij op wettige manier de opvolging regelen? Erfelijkheid van de macht bestond immers niet, want het principaat was een aanstelling door het Romeinse volk. Zou hij zijn opvolger niet bij de uitoefening van de macht kunnen betrekken? Zijn derde huwelijk met Livia was kinderloos gebleven, daarom dacht hij aan de eerste plaats aan Marcellus, de zoon van zijn zuster Octavia, die met zijn dochter Julia getrouwd was, maar door diens vroegtijdige dood in 23 v.C. vestigde hij zijn hoop op zijn beide kleinzoons, Gaius Caesar en Lucius, maar die stierven eveneens. De enige oplossing die hem overbleef, was zijn stiefzoon Tiberius uit Livia's eerste huwelijk te adopteren en te benoemen tot mederegent.

Augustus stierf in 14 n.C. tijdens een reis naar Campanië; hij was 76 jaar oud en 45 jaar geregeerd. Deze uitzonderlijke lange duur was het bewijs van zijn geslaagd beleid.

Terug - Verder