![]() |
400 - 1031 |
|
De Merovingische dynastieDe ingrijpende veranderingen die Gallië op het einde van de 5de eeuw kenmerkten, werden teweeggebracht door Clovis. Ca 481 volgde hij zijn vader als gouwkoning van de Salische Franken. Vanuit Doornik zette hij de opmars van zijn volk verder. Deze eerzuchtige, energieke vorst pakte eerst Syagrius aan, de laatste Romeinse veldheer die tussen die tussen Somme en Loire het bewind voerde. In 486 versloeg hij hem nabij Soissons. Plots strekte zijn gebied uit tot de Loire en kon hij de andere Franken zijn gezag opleggen. Omstreeks 496, waar hij in Tolbiac de Alamannen versloeg, moet zich de historische bekering van Clovis tot de rooms-katholieke godsdienst situeren. Clovis kende het christendom: zijn vrouw Chlotilde, een Bourgondische prinses, was katholiek en wellicht had zij een aanzienlijke invloed. Clovis betrok de clerus en de Gallische christenen bij zin bewind en deze laatste waren blij dat zij zich konden onderwerpen aan een echte christen en niet aan een Ariaan. Tenslotte beschouwde de Oost-Romeinse keizer Clovis als een waardige vorst. Met behulp van de bisschoppen kon Clovis nu zijn veroveringen verderzetten. Na de slag van Vouillé (507), nabij Poitiers, bliezen de Visigoten de aftocht en kon Clovis zijn grondgebied uitbreiden tot aan de Pyreneeën. Met die slag was het oude Gallië nagenoeg herenigd. Clovis vestigde daarmee zijn heerschappij van de Schelde tot de Pyreneeën en van de Atlantische Oceaan tot de Rijn, een geheel van gelijkgestemde gebieden die het hoofd zou bieden aan de wisselvalligheden van de Frankische politiek. De voornaamste historische rol van Clovis is dat hij daarmee de grondslagen voor de latere Franse natie legde. Toen hij in 511 op 45-jarige leeftijd overleed, mocht hij zich beroemen op een groots oeuvre dat een stempel zou drukken op Europa. De algemene toestand na de invallen kan men bepaald origineel noemen. De Barbaren die het vroegere Westromeinse Rijk veroverden, vormden een minderheid in de veroverde gebieden. In het beste geval vertegenwoordigden zij 5% van de totale bevolking, maar ze waren wel bijzonder actief: zij bezaten wapens, voerden oorlog en vormden de koninklijke hofhouding. De balans van de invasies kan men ongetwijfeld zwaar noemen: er was sprake van talrijke verwoestingen, monumenten verdwenen om elders aan bouwmaterialen te worden gebruikt, wegen verslechterden, culturen werden vernietigd, de zeden gingen achteruit er was een gevoelige daling van de bevolking. In het Westen was de beschaving er op achteruitgegaan, maar toch was niet alles verloren. Naar best vermogen bewaarde de Kerk het antieke erfgoed, een nieuwe start was mogelijk. Daarvoor zouden de Franken, de grootste barbaren onder de Germanen, zorgen. Toen Clovis dus in 511 overleed, werd volgens Frankische en Germaanse gebruiken het vaderlijk erfgoed verdeeld onder zijn zonen: Theodorik, Chlomodir, Childebert, Chlotarius. De geschiedenis van deze Merovingische koningen werd een opeenvolging van moorden, plunderingen, gruwelijkheden en schandelijke daden. Om de troon te behouden of om de vorst van een buurland te onttronen en hem het leven lastig te maken, waren alle middelen goed. Tussen Clovis’ zonen heerste een spelletje van bondgenootschappen en oorlogen. Samen veroverden ze Bourgondië en legden ze de volkeren aan de overzijde van de Rijn de gebiedende hegemonie der Franken op. Door een samenloop van omstandigheden kwam Clovis’ jongste zoon, Chlotarius, alleen aan de macht in 558, alle concurrenten of familieleden waren dood of verdwenen. Toen hij in 561 overleed, verdeelden zijn zonen op hun beurt het koninkrijk, of liever het familiegoed. Ze waren eveneens met vieren en hun delen kregen een nieuwe naam: Austrasië, Neustrië, Bourgondië en Aquitanië. (zie map) Maar de delen waren niet homogeen, elke vorst bezat stukken grond bij de buurman: het nationaal gebied was een reusachtige puzzel geworden en het voorwerp van begerige blikken. De Merovingische koningen maakten zich schuldig aan een regelrechte versnippering van de Staat, een systematische vernietiging van de politieke eenheid en een totaal gebrek aan staatszin. In 613 werd Gallië opnieuw herenigd onder Chlotarius II. Alle pretendenten waren verdwenen en hij had de macht moeten afstaan aan ambtenaren, hofmeiers, aanvankelijk belast met de ‘intendance’ maar uiteindelijk uitgegroeid tot hoofd van de centrale administratie eb vertegenwoordigers van de geldadel. In Austrasië hadden Pippijn van Landen en zijn vriend Arnulf, bisschop van Metz, de feitelijke macht in handen. Na de dood van de opvolger van Chlotarius, Dagobert, in 639, verbrokkelde het koninklijk gezag ten voordele van de aristocratie, geleid door de Pippiniden. In de geschiedenis staan ze bekend als de “vadsige koningen”. De hofmeiers voerden nu wel het bestuur, maar ze beconcurreerden elkaar even sterk als de koningen en zaaiden dood en vernieling in het land. Tijdens de slag van Terty in 687 slaagde Pippijn van Herstal er in Neustrië en Bourgondië te veroveren en de territoriale eenheid te herstellen. Ook de Alamannen van de andere kant van de Rijn en de Beieren kwamen opnieuw onder zijn gezag. Toen hij in 714 overleed, kon zijn zoon Karel Martel zijn positie als hofmeier consolideren onder het nominale gezag van Theodorik IV. De machtsovername van Karel Martel betekende het einde van de Merovingische periode, zelfs al bleef een Merovingische koning nog formeel het hoofd van het Frankische Rijk. |
|