1795-1815
Revolutionair Frankrijk


Intussen was er in het prinsbisdom ook op politiek vlak iets aan het broeien. De Luikse Staten hadden aan macht ingeboet en vertegenwoordigden al lang niet meer de gevoelens van de bevolking. Op het platteland bestond groeiend ongenoegen over de feodale rechten en de belastingstienden die betaald moesten worden. Bovendien verzetten steeds meer mensen zich tegen het feit dat adel en clerus geen belasting hoefden te betalen. Tijdens de regering van prins-bisschop Velbrück (1772-1784) weken heel wat verlichtte filosofen en kunstenaars naar Luik uit, waar ze ongestoord hun ideeën mochten verkondigen en bereidwillige drukkers graag hun werken verspreiden. De opvolger van Velbrück, prins-bisschop Constatijn-Franciscus van Hoensbroeck, moest niets van de Verlichting hebben. De situatie verslechterde nog toen in 1784 en 1788 de oogsten tegenvielen. In de steden steeg de broodprijs en in Luik zelf waren er regelmatig relletjes. De prins-bisschop werd gesteund door de conservatieven, maar de democraten of ‘Patriotten’ wonnen veld. Toen het nieuws van de bestorming van de Bastille in Parijs en de afschaffing van de standenvertegenwoording Luik bereikte, steeg de politieke temperatuur ten top. Op 18 augustus 1789 drong een menigte het Luikse stadshuis binnen en verjoeg de conservatieve magistraten. De prins-bisschop sloeg op de vlucht en in oktober brak er oproer uit. De Luikse staten proclameerden daarop, naar Frans voorbeeld, de gelijkheid van alle burgers voor de wet en voor de belastingen, en de afschaffing van alle heerlijk rechten. In de meeste steden van het prinsbisdom, Loon incluis, werd er gunstig gereageerd. De oude bestuurders werden afgezet en vervangen door een nieuwe bestuursvorm in Sint-Truiden, Tongeren, Hasselt, Borgloon en verscheidene kleinere steden. De Oostenrijkse troepen die naar de Zuidelijke Nederlanden gekomen waren om de Brabantse Omwenteling neer te slaan, drongen in 1790 ook in het prinsbisdom binnen. Het leger van de Patriotten werd uit elkaar geslagen na schermutselingen bij Hasselt en Zutendaal. Het gezag van de prins-bisschop werd hersteld en heel wat revolutionairen vluchtten naar Frankrijk. Daar trokken ze de Franse aandacht op Luik. In 1792 verklaarde het revolutionaire Frankrijk de oorlog aan het conservatieve Oostenrijk. De bekwame Franse Generaal Dumouriez veroverde de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Een jaar later konden de Oostenrijkers de Fransen weer verdrijven, maar in 1794 was de kous af: Oostenrijk moest de Zuidelijke Nederlanden definitief verlaten. Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom bij Frankrijk ingelijfd. De gevolgen waren immens. Alle feodale rechten werden opgeheven, net als alle ambachten, kapitels, kloosters en abdijen. De kerkelijke goederen werden verkocht en de eed van haat aan het koningsschap ingevoerd. Loon werd losgemaakt van het prinsbisdom dat opgehouden had te bestaan en werd samen met de gebieden van de Overmaas gevoegd in één van de negen nieuwe departementen. In dit departement van de Nedermaas kwamen beide Limburgen voor het eerst samen. Het was tevens het einde van eeuwenlange staatkundige en territoriale versplintering. Van graaf en prins-bisschop was geen sprake meer: Parijs zwaaide nu autoritair de plak. Onze voorouders moesten weinig hebben van de Franse ‘indringers’. De antigodsdienstige maatregelen, de afschaffing van de traditionele bestuursorganen en de zware belastingen zetten veel kwaad bloed. De bevolking werkte de invoering van de Burgerlijke Stand tegen en beantwoordde bewust ontwijkende officiële vragen over veestapel en oogst, industrie en handelsverkeer. Toen de franse regering op 5 september 1798 ook nog de wet op de algemene dienstplicht invoerde, was de maat vol. Geheime comités bereidden een opstand tegen de Fransen voor, die echter vroeger dan gepland, op 12 oktober 1798, losbarstte in het Oost-Vlaamse Overmere. De opstand, de Boerenkrijg, spoelde van daaruit over Waasland, Klein-Brabant en de Kempen om tenslotte op 5 december 1789 in Hasselt door de Fransen definitief onderdrukt te worden. De Brigands – de bijnaam die Fransen aan de opstandelingen gaven – konden door gebrek aan wapens en steun vanwege de Engelsen geen vuist maken tegen het oppermachtige Franse leger. Er waren ook goede kanten aan de Franse periode. Er werd begonnen met de aanleg van een uitgebreid verhard wegennet. Venlo, Maaseik, Tongeren en Hasselt werden onderling verbonden. De economische initiatieven van de Fransen en de voordelen van de grote franse markt leidden in het departement van de Nedermaas echter niet tot een economische bloei.