|
Na 1839 verdween Limburg van de politieke agenda en er werd een schuchtere
aanzet voor groter veranderingen gegeven. Om de ontginning van de grote
bos- en heidegebieden in de Kempen te stimuleren, vaardigde de regering
in 1846 de ontginningswetten uit. Tussen 1840 en 1850 werd ook het
Maas-Schelde-kanaal gegraven. In Lommel kwam een landbouwkolonie, die
echter weinig economische resultaten haalde. Later werd er doorheen de
Kempen een spoorweg aangelegd, die Antwerpen met het Roergebied moest
verbinden. Neerpelt werd een spoorwegknooppunt toen ook de lijn
Eindhoven-Hasselt doorgetrokken werd. Het vruchtbare Haspengouw bleef
bij uitstek een landbouwgebied, met de productie van granen,
suikerbieten en fruit. Sint-Truiden, Borgloon en Tongeren waren er de
regionale centra met belangrijke vee- en fruitmarkten. Ook in het
Maasland lag het accent op de landbouw. Maar de industriële
ontwikkeling hinkte sterk achterop bij kernen als Luik en Gent. Vooral
de Kempen was arm. De handel was op de terugweg en het harde labeur op
de versnipperde, zandige percelen leverde niet genoeg op om de groeiende
bevolking te voeden. Het bevolkingsaantal in Limburg nam tussen 1830 en
1913 met 60% toe. Toen er vanaf 1870 een landbouwcrisis uitbrak door de
import van goedkoop graan uit Amerika, werd de Kempen extra zwaar
getroffen. Uitwijkmogelijkheden waren er nauwelijks. Rond Bree, Hamont
en Neerpelt was er wat sigarennijverheid, in de Kempen en het Maasland
lager er pannen- en steenbakkerijen. In de omgeving van Beringen werd
vanaf 1860 ijzererts ontgonnen, dat in de Kempen dicht onder de
oppervlakte lag. Op het grensgebied tussen Kempen en Haspengouw, met
Hasselt als centrum, bloeiden de jeneverstokerijen.
Vanaf circa 1875 verhuisden een aantal bedrijven naar de Noorderkempen
die het startsein gaven voor een lokale non-ferronijverheid. In 1882
werd in Kaulille een springstoffenfabriek opgericht, in 1888 startte in
Overpelt de productie van arsenicum. De chemische industrie in
Tessenderlo volgde een jaar later, in 1895 opende de arseenfabriek van
Reppel de poorten. In Lommel (1904) en Rotem (1912) werd zink
geproduceerd. Dat al die ongezonde bedrijven net naar dit deel van de
Kempen verhuisde, mag niet verbazen: de arbeid was er goedkoop, net als
de gronden. De inwoners van de dunbevolkte streek maakten weinig heisa
over de gevolgen voor het milieu. Wie niet terechtkon in een
familiebedrijf of lokale industrie, restte niets anders dan uit te
wijken, te pendelen naar het Luikse of seizoensarbeid te verrichten in
den vreemde. Zo trokken tot de Eerste Wereldoorlog jaarlijks duizenden
Maaslandse 'brikkčkkesj' naar Duitsland om daar bakstenen te produceren
voor de bloeiende industrie. Vooral het Luikse industriebekken trok erg
veel volk. In die situatie kwam pas verandering nadat in 1901 steenkool
werd ontdekt in Limburg. Het duurde nog enkele jaren voordat de
ontginning echt van start ging. Maar na de Eerste Wereldoorlog speelden
de mijnen de eersterangsrol inzake tewerkstelling. Afgezien van enkele
dorpsnotabelen als pastoor, burgemeester, notaris, dokter, brouwer,
kenden de meeste Limburgers in de 19de en in het begin van de 20ste eeuw
een hard bestaan. Voor de Eerste Wereldoorlog waren de meeste huizen nog
opgetrokken in leem, met een aarden vloer. Méér dan brood,
aardappelen, pap en, in het beste geval, spek kwam er door de band
genomen niet op tafel. Ook de hoeveelheid kleding was beperkt: één
werkpak en één zondags kostuum of jurk was vaak alles. De dokter
woonde ver weg en was duur. Geen wonder dat men meer op volksremedies
vertrouwde of genezingen afsmeekte tijdens bedevaarten. Schoolbezoek was
tot 1918 zeer wisselvallig. De schooloorlog (1879-1894) had de
uitbreiding van het katholiek lager onderwijs sterk gestimuleerd. In
1900 telde de provincie nog 52 bewaarscholen en een aantal colleges. De
grote meerderheid van de kinderen maakte echter niet eens de lagere
school af of ging enkel in de winter naar school. De klassen waren
overbevolkt - zestig leerlingen in een lokaal was geen uitzondering - en
niet zelden zaten alle leeftijden bij elkaar. De meester hield zich met
ijzeren discipline overeind en de ouders hadden hier geen problemen mee.
Limburg raakte in de 20ste eeuw met de ontdekking van steenkool in zijn
ondergrond in een economische en maatschappelijke stroomversnelling.
Maar met behulp van Monseigneur Broekx en zijn secretariaat van
christelijke werken in de Hasseltse Tramstraat behield de Kerk lange
tijd haar greep op maatschappelijke ontwikkelingen. Toch groeide
langzaam maar zeker de invloed van de socialistische partij en
vakverenigingen in de provincie. Na de Tweede Wereldoorlog maakte de
provincie een stormachtige ontwikkeling door. In 1950 waren land- en
mijnbouw nog de onbetwiste economische pijlers van een vrij dun bevolkte
provincie. Daarna begon een sterke groei van de bevolking, een fikse
uitbreiding van de tewerkstelling en de verkeersinfrastructuur, een
verbreding van het onderwijsaanbod en de vestiging van enkele
buitenlandse bedrijven. Ook het toerisme werd een factor van betekenis,
met Bokrijk als grote trekpleister. Zo kwam Limburg stilaan vanuit de
marge van België in het in het hart van de Euregio te liggen. |



|